Inburgeringsvoorzieningen

Vaststellen van inburgeringsvoorzieningen voor inburgeringsplichtigen



Stand van zaken van het wetsvoorstel tot de wijziging Wet inburgering waarin o.a. is opgenomen het vaststellen van inburgeringsvoorzieningen

Dit wetsvoorstel is momenteel in behandeling bij de Eerste Kamer. De mondelinge behandeling ervan wordt eind november/begin december verwacht; inwerkingtreding eind 2008. De bevoegdheid van gemeenten om inburgeringsvoorzieningen direct vast te stellen (zonder voorafgaand aanbod) wordt mogelijk nadat ook de gemeentelijke verordening op dit punt is aangepast.

Inhoud van het wetsvoorstel wat betreft het vaststellen van inburgeringsvoorzieningen

Vaststelling van een inburgeringsvoorziening is alleen mogelijk voor inburgeringsplichtigen.

Vaststelling van een inburgeringsvoorziening is een “verzwaring” voor de inburgeringsplichtige en kan daarom niet met terugwerkende kracht worden geregeld en opgelegd.

Vaststelling van een inburgeringsvoorziening is pas mogelijk nadat de wijziging van de Wet inburgering in de Eerste Kamer is aangenomen én in het Staatsblad is gepubliceerd én de gemeentelijke verordening daarop is aangepast. Uiteraard kunnen nu reeds voorbereidingen worden getroffen voor aanpassing van de gemeentelijke verordening, maar die gemeentelijke verordening kan pas door de Raad worden vastgesteld nadat de wijziging van de Wet inburgering in het Staatsblad is gepubliceerd. Naar verwachting december 2008.

De gemeente heeft de volgende keuze:

  • geen aanpassing van de verordening: dan verandert er niets en blijft het aanbodstelsel bestaan zoals dat nu geldt;
  • wel aanpassing van de verordening in de zin dat de gemeente kiest voor een vaststellingsstelsel. Dit vaststellingsstelsel geldt dan voor elke inburgeringsplichtige in de gemeente.

Werking van een aanbodstelsel
De gemeente doet in de intake een aanbod, dat kan door de inburgeringsplichtige niet worden geaccepteerd. In dat geval kan de gemeente een handhavingsbeschikking afgeven. Indien de inburgeringsplichtige het aanbod wel accepteert, wordt er door de gemeente een beschikking afgegeven, waarin de inburgeringsvoorziening en de handhavingstermijn is opgenomen.

Werking van een vaststellingsstelsel
In de intake wordt gesproken over de inburgeringsvoorziening die de gemeente voor de inburgeringsplichtige geschikt acht. Indien de inburgeringsplichtige dat niets vindt en aangeeft op een andere wijze zelf te willen inburgeren en de gemeente stemt daarmee in, is daarmee de intake afgelopen (er wordt geen voorziening bij beschikking vastgesteld) en kan de gemeente een handhavingsbeschikking afgeven. Indien in de intake blijkt dat de gemeente aan de inburgeringsplichtige geen voorziening wil verstrekken (bijv. omdat die persoon niet tot de gemeentelijke prioritaire groepen behoort) dan wordt er ook geen voorziening bij beschikking vastgesteld, en kan de gemeente het laten bij een handhavingsbeschikking. In de situatie dat de gemeente een inburgeringsvoorziening geschikt acht voor de inburgeringsplichtige en de inburgeringsplichtige dat niet wil, dan heeft de gemeente in het vaststellingsstelsel de mogelijkheid om een beschikking waarin de voorziening en een handhavingstermijn is opgenomen, vast te stellen. Dus tegen de zin van de betrokkene in.

Verschil tussen vaststellingsstelsel en aanbodstelsel
Een vaststellingsstelsel betekent dus niet dat voor elke inburgeringsplichtige in alle gevallen een inburgeringsvoorziening moet worden vastgesteld. Voor inburgeringsplichtigen die ermee instemmen een inburgeringsvoorziening te gaan volgen moet de voorziening worden vastgesteld. Ook voor de inburgeringsplichtige die niet instemt met de inburgeringsvoorziening, maar voor wie de gemeente die voorziening wel noodzakelijk acht, wordt een voorziening vastgesteld. Voor inburgeringsplichtigen die geen voorziening willen gaan volgen en voor wie de gemeente ook geen voorziening noodzakelijk acht, wordt géén vaststellingsbeschikking geslagen. In dit geval wordt voor de inburgeringsplichtige een handhavingsbeschikking geslagen in het geval hij/zij een oudkomer is of een kennisgeving gestuurd als hij/zij een nieuwkomer is.

Met het vaststellingstelsel heeft de gemeente de touwtjes het meest in handen, omdat die gemeente ten opzichte van de individuele inburgeringsplichtige de keuze heeft om een inburgeringsvoorziening vast te stellen of achterwege te laten.

De gemeente met het aanbodstelsel kan het aanbod ook achterwege laten, maar is, als er wel een aanbod wordt gedaan afhankelijk van de inburgeringsplichtige of die het aanbod aanvaardt of niet.

Vaststellen van een inburgeringsvoorziening voor een inburgeringsplichtige die al eerder een handhavingsbeschikking heeft gekregen

De G4 hebben aangegeven dat er in de afgelopen 1 ¾ jaar meer handhavingsbeschikkingen zijn afgegeven dan was voorzien. De reden hiervan is dat meer inburgeringsplichtigen de aangeboden inburgeringsvoorziening niet hebben geaccepteerd. Vanuit de G4 is er de wens om voor deze categorie inburgeringsplichtigen alsnog een inburgeringsvoorziening vast te stellen.

Wat zijn de mogelijkheden?
Kan de gemeente automatisch, voor alle inburgeringsplichtigen waaraan eerder een handhavingsbeschikking is gegeven, een inburgeringsvoorziening alsnog vaststellen? Dat is op juridische gronden niet mogelijk.

Indien gemeenten in hun verordening hebben besloten voor een vaststellingsstelsel is het volgende in principe mogelijk:

  1. een inburgeringsvoorziening vaststellen, indien er geen inburgeringsvoorziening is aangeboden;
  2. een inburgeringsvoorziening vaststellen, indien er een inburgeringsvoorziening is aangeboden, maar niet geaccepteerd;
  3. een inburgeringsvoorziening vaststellen, indien er geen handhavingsbeschikking is vastgesteld;
  4. een inburgeringsvoorziening vaststellen, indien er een handhavingsbeschikking is vastgesteld.

Daarbij gelden de volgende kanttekeningen

Indien de inburgeringsplichtige het met de vaststelling van de inburgeringsvoorziening eens is, is er geen probleem en zal de inburgering gaan zoals die in de vaststellingsbeschikking is vastgesteld.

Problemen kunnen er gaan ontstaan indien een inburgeringsvoorziening wordt vastgesteld waarmee de inburgeringsplichtige het niet eens is (of met de inhoud van de inburgeringsvoorziening of met het feit dat er überhaupt een inburgeringsvoorziening voor hem wordt vastgesteld). In dat geval kan de inburgeringsplichtige bij de gemeente bezwaar indienen en vervolgens bij de rechter beroep instellen. Dat zal veel administratieve lasten geven en het voorkomen van het instellen van bezwaar en beroep is dan ook voor de gemeente van groot belang.

Wanneer is er de minste kans dat er bezwaar en beroep wordt ingesteld?
Wat is het geval als de intake/het onderzoek door de gemeente zo goed mogelijk wordt gedaan. In het bovengenoemde wetsvoorstel waarin de mogelijkheid voor gemeenten voor het vaststellingsstelsel is geregeld is in de toelichting dan ook een uitgebreide passage aan het belang van de intake gewijd. Uit de intake moet dus blijken of de inburgeringsplichtige het eens is met de voorziening, of hij de voorziening (terecht) niet wil, omdat hij bijv. al op een andere wijze met de inburgering bezig is, of dat hij de voorziening niet wil, maar tegelijkertijd uit niets blijkt dat hij al bezig is of dat hij op korte termijn gaat beginnen. Alleen in het laatste geval is het zinvol om een inburgeringsvoorziening vast te stellen, omdat, indien de inburgeringsplichtige bezwaar en beroep tegen de vastgestelde inburgeringsvoorziening gaat instellen, dat de minste kans van slagen heeft bij de rechter.

(Wellicht ten overvloede: bezwaar en beroep instellen door de inburgeringsplichtige is niet alleen mogelijk bij een vaststellingsstelsel, maar ook bij een aanbodstelsel. Indien de inburgeringsplichtige de voorziening mondeling heeft geaccepteerd, wordt door de gemeente de beschikking met daarin de inburgeringsvoorziening (eenzijdig) geslagen. Over de inhoud ervan kan de inburgeringsplichtige toch een ander beeld hebben gehad en kan hij het alsnog niet eens zijn met de beschikking. De inburgeringsplichtige kan dus ook in het aanbodstelsel tegen de beschikking bezwaar en beroep instellen).

Kortom, het is juridisch risicovol indien gemeenten alsnog een inburgeringsvoorziening gaan vaststellen in het geval de inburgeringsplichtige al eerder nee heeft gezegd tegen een aanbod (al of niet gevolgd door een handhavingsbeschikking). De kans op bezwaar en beroep is dan reëel aanwezig. Indien de inburgeringsplichtige bij de rechter kan aantonen dat hij al op een andere wijze inburgert of dat op korte termijn gaat doen is de kans van slagen van het beroep bij de rechter reëel aanwezig.

Overigens is dit risico ook aanwezig in het geval de inburgeringsplichtige nog geen aanbod heeft gekregen, maar in de intake aangeeft zelf bezig te zijn met de voorbereiding op het examen en de gemeente stelt toch een inburgeringsvoorziening vast. Ook in dat geval is de kans dat de inburgeringsplichtige bezwaar en beroep instelt groot.

Een en ander betekent dat in het geval gemeenten automatisch inburgeringsvoorzieningen  gaan vaststellen, zonder een goede intake te houden (zeker in het geval inburgeringsplichtigen al eerder nee hebben gezegd tegen een aanbod en al of niet een handhavingsbeschikking hebben gekregen) de kans groot is dat het in die gemeente bezwaar- en beroepsschriften zal gaan “regenen”.

Handhavingstermijnen
Indien al eerder voor de inburgeringsplichtige een handhavingsbeschikking is afgegeven staat in die beschikking de datum waarop (de termijn waarbinnen) het inburgeringsexamen moet zijn behaald. Die datum wijzigt niet indien later een inburgeringsvoorziening voor de inburgeringsplichtige wordt vastgesteld. Dat betekent dat de handhavingsbeschikking moet blijven bestaan en de gemeente een nieuwe beschikking dient te maken (eventueel met een verwijzing naar de handhavingsbeschikking), waarin de inburgeringsvoorziening wordt vastgesteld. Dit houdt verband met de wettelijke handhavingstermijn van 3 1/2 en 5 jaar, waarbinnen het inburgeringsexamen moet zijn behaald. Voor nieuwkomers gaan die termijnen in op het moment van het verkrijgen van de verblijfsvergunning, voor oudkomers gaat de termijn in op het moment waarop de handhavingsbeschikking is vastgesteld.

Bijvoorbeeld:
indien een inburgeringsplichtige oudkomer in november 2007 een handhavingsbeschikking heeft gekregen, dan moet hij in november 2012 het inburgeringsexamen hebben behaald. Indien voor deze inburgeringsplichtige oudkomer in mei 2009 een inburgeringsvoorziening wordt vastgesteld, brengt dat geen wijziging in de datum van november 2012 die in de handhavingsbeschikking is opgenomen. M.a.w. in de beschikking van mei 2009 waarin de inburgeringsvoorziening wordt vastgesteld dient geen nieuwe handhavingsdatum te worden opgenomen, waarbinnen het inburgeringsexamen moet zijn behaald. Wel mag in de beschikking van mei 2009 waarin de inburgeringsvoorziening wordt vastgesteld een datum staan waarbinnen de inburgeringsplichtige voor de eerste keer van de gemeente moet deelnemen aan het inburgeringsexamen, bijvoorbeeld na 2 jaar. Dat moet uiteraard altijd een periode zijn die ligt voor november 2012.

Aanpassing van de gemeentelijke verordening
Zoals gesteld regelt het genoemde wetsvoorstel dat de gemeente de keuze voor het vaststellingsstelsel bij gemeentelijke verordening dient te bepalen. Indien een gemeente het voornemen heeft om de keuze voor het vaststellingsstelsel te maken zou nu reeds met de voorbereiding van de aanpassing van de verordening inburgering kunnen worden begonnen. Uiteraard kan de gewijzigde verordening pas formeel door de Raad worden vastgesteld, nadat het wetsvoorstel door de Eerste Kamer is aangenomen en in het Staatsblad is gepubliceerd.

Lees meer over het werk van VluchtelingenWerk Nederland op Vluchtelingenwerk